zondag 18 november 2012

Gedaan

Ik hou dit blog niet meer bij. Je kan beter grasduinen op mijn nieuwe webstek
Daar kan je in verschillende rubrieken terecht en over en weer surfen. Het is een selectie

dinsdag 15 mei 2012

As

1. Ik had wat tijd nodig, een week
om te weifelen
tussen Durme en Dender,
Lokeren en Aalst,
tussen twee Dirks.

De wind heeft me niet belet
mijn evenwicht
in balanseer te houden,
de cadans van mijn voeten
aan te houden,
kortom, vrijuit te dansen.

Ik heb geweifeld maar
nam dan toch
de weg naar Egypte.


2. Als ik hij zeg om me uit te spreken,
waar sta ik dan tenzij
in het hemd van het gedicht.

Ze had zich uitgekleed
op een gordel
en haar halsband na.

Ze wrijft de muskus
tot kruimels in haar handen
en maakt het tot lijm.

Daarna wrijft ze het
achter mijn oren,
op mijn borst,
tussen mijn benen
en rond mijn roede.

Het duurt niet lang
voor ik verstijf
en de weg naar Egypte neem.


3. Niets nog gaat vanzelf,
handen tussen
de zijden plooien.


Hoe vleselijk ook,
wij kunnen ons niet beletten
het beste van onszelf
te geven en te nemen,
de warmte van onze adem.

Na Egypte zijn we door
het midden oosten getrokken
om dichter te komen,
het nabije oosten.

We namen de weg,
de weg leidde ons.

We zagen het licht,
het liet ons zien.

We draaiden ons oor om
naar muziek,
die ons in vervoering bracht
en dichter.

maandag 19 maart 2012

In het menselijk makend licht - Dans la lumière humanisante

1. Zijn het nu vingers of tenen die me
voor de hand liggen?

We lopen hier voorlopig
op onze toppen.

Ik hoop dat het met der hand goed afloopt,
met der voet vast meeloopt.

Zie je, daar staan we nu eenmaal op,
dat als het water hier de oever overspoelt,
het ons ook.


2. Ik steun op mijn handen
en grom viervoetig.
Wat ben ik?

Eerst had ik onderaan je rug
iets in tekening gebracht
dwaas maar waar geslachtsdeel.

Zou je me vragen
te zwaaien
tegen het vergeten?

Voor we klaarkomen?
Of erna?



3. Wie wentelt nog de wentelteef,
wie wrijft haar over de wreef?

Net als wie me aait
over de bol over mijn ballen.

Jij dus. Ik dus.

Brandplekken onderhuids
likken we onderhands.

Wie of wat hier opkikkert,
kwaakt stil, springt op.

Tegen het grijs,
wolken of gruis,
knipperen onze ogen.


4. Kunnen wij trouwens meer
weten dan de uitkomst
van een omhelzing als
inmiddels de inbreng
een andere vorm aanneemt?

Zeker, soms zijn we in vorm
die waarin we ons gebeurlijk herkennen.

Hoe kunnen wij?

Als zelfs onze longen
zich hebben afgestemd
op onze respectieve adems?

We mogen ons dan wel omkeren,
de weg die we hebben afgelegd
ligt in de mist gevat
die onze herinnering voedt.

Vandaag schijnt dan weer de zon.

1. Sont-ce des doigts ou des orteils
qui m'évitent?

Momentanément, nous marchons
sur les bouts.

J'espère qu'en main tenant
tout finit bien et que le pied marche.

Voilà, nous insistons
à ce que l'eau quand elle inonde
le rivage, elle nous aussi.



2. Mes mains à l'appui
font quatre pattes.
Je grogne. Que suis-je?

Au bas de ton dos
j'ai d'abord tracé
un dessin quel con
que je fais.

Me demanderais-tu
d'agiter une main
contre l'oubli?

Avant de prendre notre pied?
Ou après?



3. Qui fait tourner la chienne giratoire,
qui lui frotte le cou-de-pied?

Tout comme qui me caresse
la tête,
voire les couilles?

Toi donc. Moi donc.

Les brûlures sous-épidermiques
nous les léchons en sous-main.

Celui qui reprend du poil de la bête,
grogne doucement, saute.

Nous clignons des yeux contre le gris,
les nues ou les menus.

4. Pourrions-nous d'ailleurs savoir
plus que l'output d'une étreinte,
si entre-temps l'input
s'est transformé?

Certes, nous sommes parfois
en forme sous laquelle il nous arrive
de nous reconnaître.

Comment pouvons-nous?

Si même nos poumons
se sont accordés
à nos respirations respectives?

Nous avons beau nous retourner,
le chemin que nous avons parcouru
se trouve enveloppé d'un brouillard
qui nourrit notre mémoire.

Aujourd'hui, fort heureusement, le soleil brille.

dinsdag 13 december 2011

We dolen om te leren

De hof, beste nar, zag
er nogal uit, heden en nu,
als een park, verenigd bomenrijk.

Daarin wij al vlug dolen.

De auto, beste knar, zag
er glimmend groots uit,
praal en pracht, sterren en strepen.

Daarin wij al vlug dolen.

Geef mij maar een dam,
wat bootjes op de rivier,
wat bomen op mijn achtergrond,

om eeuwig in te dolen.

vrijdag 2 september 2011

De geheimen van de tuinman ontsluierd


1. We moeten dan wel onze tuin kweken,
Candide, het einde voor jou,
een begin voor anderen.

Voltaire werd er beroemd mee.
Hij hoefde niet te zwijgen.

Ik heb jaren gezwegen
en mijn tuin gekweekt.

Een geheime tuin
die ik nu open,
einde en begin.


2. Kennen wij het pad
dat leidt naar de zwarte roos
in duistere nacht,

in het maanlicht?

We sloegen een weg in
die geurde naar jasmijn,
aroma van avondthee.

Voor de dag
zich liet doorboren
door de nacht

in het maanlicht.


3. De roos mocht dan al
met geweld zijn overgeplant,
ik vond het pad terug
en bracht haar mest.

Ze werd uitgerukt
en sloeg zwart uit.

Ik werd van 't zwart bevangen.
Tegen heug en meug verloor ik
het rozenperk. De doornen
hadden me gestoken.

Alle wegen leiden naar Ergens,
behalve naar Rome of Parijs,
het aroma van jasmijn
of het paradijs.


4. Ik zocht een andere wereld op
geen ander leven viel me te beurt,
ik vond opnieuw rozengeur.

Naarmate de maanden
de jaren vorderden
gaf het perk leven
aan nog een zwarte roos.

Ik ben in die wereld gebleven,
kweekte mijn rozenperk voort,
rukte de zwarte roos weg,
gaf mest aan de grond
en
er groeide een gele roos, een ander leven.


5. Moeten we lachen, zullen we huilen
en wat als we – ja! – in schoonheid eindigen?

De tijden zijn er niet naar, nare tijden
met verschrikkelijke nieuwtjes,
verwarring, verveling, opschudding.

En zie, soms loop ik dan
en struikel in tegentijd heel even

met tenor sax en contrabas
mee tot
hemel en tuin elkaar omarmen.


woensdag 10 augustus 2011

Einde van de eeuw

Voor Matti B.

1. Het regende die maand, die dag.
De stad lag er bij, wij zaten.
De pakken hingen thuis. Daar dus
bleven we niet zitten. Het was

manifest, wereldvreemd en niet ver
van de Beurs, hebben we
een ivoren toren opgetrokken.

We wensten elkaar het einde toe
van de eeuw, het begin
van de taal, het einde

van het engelseksistisch model.
Het regende echter.



2. Wij willen ver gaan, waarin.
Niet in de drank maar in de drang
om plaatsen te verleggen, sokken
te dumpen. Maar het einde, soms,

vergt dat we met tenen door de gaten
nog even verder moeten over
plat gras in de stadsrimboe
en de bittere kelk in het gezicht

van de immer lachende zelfingepakte
gooien. Er zijn er ook

die duur gebak gooien
in die zelfde immer lachende inpakkers.

Levensbeschrijving

Ik speel tot ineens spelenderwijs
konen ontvlammen, ja, ik speel.

Als ik echter afzie,
als ik echter, nee, afzie.

Dan:

Verander ik in een klinker,
niet in een vis in een bokaal

want:

in zijn bokaal zingt de vis die ik niet word niet.

en dus:

ik verander in een klinker en vlieg.