vrijdag 4 december 2009

Mijn ontmoeting met Rimbaud


Meteen al vanaf het einde van de zomer
begonnen de seizoenen
zich aaneen te rijgen, neer te gaan,
neer te gaan, neer te lopen.

Dat was voor ik me gaf
aan de stad, aan de vooravond
van een diepere overgave.

Ik zag de stad slechts in nevels,
hoe vaak verloor ik niet mijn bril.

Ik moest de kunst leren
te sluipen doorheen de demonen
zonder ooit Rimbaud te ontmoeten.


Het zinnebeeld telde niet langer.
Meermaals viel ik net niet
in het onontcijferbare.

We eindigden steeds in het zelfde restaurant

met dezelfde stratemen
sloten we ons op in theorema’s.
Ze vulgariseerden maar gaven niets
prijs van de trieste tropenpraktijken

van zowat elke dag.

Ik hield me schuil in gespannen
stilte en telde de tijden
almaar korter waarop Rimbaud
zou komen en eindelijk
gaan zitten. En ik stapte.


Het koren werd voortdurend geoogst,
kort afgesneden, zelden gezaaid.

Er kwam geen humanitaire noodhulp
aan te pas om voldoende te eten,
maar zonder dat we zelden aan meer voldeden
dan aan treintje werken slapen.

Vogels zongen zonder ons, zonder zich
om ons te bekommeren
terwijl de kollen daarentegen

Neem nu de mussen, zij
lieten ons in de steek,
voor onze jaargetijden in de hel
voorbij waren, zonder op de komst
van Rimbaud te wachten.



Vaak zei een stem
vaag hoorde ik zelden luisterde ik
dat ik zou eindigen
vroeg of laat als de gek

van Elisa of Elise.

Ik zag in de haven boten
en oevers en wijzigde haar koers.

Ze is tot slot stilletjes verdwenen.



En op een dag, een andere dag,
belandde ik uiteindelijk in de haven.
Ongelooflijk! Mijn handen waren vrij.
Ik had de ogen die me
in de gaten hielden en bedreigden, doorboord
met mijn blik en gepreveld
wat ik net geschreven had

of in mijn droom gezien.

Ik wist niet of het zomer was
of winter maar dat een boot
ons een Rimbaud bracht
doodziek en stervensklaar.




Misschien zelfs zitten we straks
half torenhoog, ik met mijn handen
aan het stuur en met half
dichtgeknepen ogen, vooruit tuur.

Om achterom te zien volstaat het
dat ik vooruit blik in de spiegel.

Wat ooit te wachten stond, ligt.
Aan stukken, geen gebrek,
geen hand meer om ze te lijmen.

Aan flarden en in gruzelementen,
voor eeuwig in gruwelmomenten.

Rimbaud staat zaliger en wel
geboekstaafd als bezoeker
van zijn hel.

zondag 22 november 2009

Nolens volens

voor Juliette Binoche


1. Hoe je, wijl je het

uitspreekt, onmogelijk

inspreekt dan in stilte.



Zo zou je, wil je wel,

wens je best en kom je

er niet toe.



Tot je eindelijk zwijgt,

roes je verzwelgt en

alle weten wijkt.

donderdag 9 juli 2009

Eenvoudig berglied

Slingerend ligt het pad
tegen zijn berg aan. Lichtjes
trillen de enkele bomen,
de vele struiken.

Het kruid is wat we plukken
en 's avonds sterren aan de hemel.

Dit alles genomen, dalen we
terug af en zuchten
de enkele bomen
de vele struiken

vrijdag 29 mei 2009

L’inceste des palmiers

L’inceste des palmiers s’est ancré,
nous sommes loin du paradis,
n’est-ce pas, dans leurs racines.

Quelle datte!
Quelle ombre ne nous reste-t-il ?

Car la pluie tombera, nourrissant
la tendance des palmiers.

Ils n’ont plus besoin d’abeilles.
Quel miel!

Ils signent entre terre et ciel
une œuvre d’art créant
leur propre musée.

zondag 17 mei 2009

Het kleine veldlied

Wie heeft ooit gezegd - en gezwegen -
dat je met je rug nooit tegen
een muur mag gaan staan en
eerst naar links moet uitkijken
vóór je de straat oversteekt?


Vandaar naar het noorden is geen
stap, zomaar gezet. Voor waar
en vol aanzien toch nog leeg lopen.
De weg ernaar is smal en steil
en vinden zal ik het.

Wie heeft ooit geschreven dat wie
het noorden verliest, zichzelf

in het begin

Verenigd zonder oog op
iets anders dan een uitweg



12 krijgers in een loden balspel
verwikkeld



elk lijkt zich
zeer traag af te wikkelen
het complot verschijnt steeds
nader

maar de afstand is te groot
om nog een laatste hand te slaan

aan wie van de 12?
of aan jezelf dan maar ?



12 loden ballen roodgeverfd
in een definitief brandmerk




(uit: Wie herinnert zich nog het dorp? De autowegen)