dinsdag 15 mei 2012

As

1. Ik had wat tijd nodig, een week
om te weifelen
tussen Durme en Dender,
Lokeren en Aalst,
tussen twee Dirks.

De wind heeft me niet belet
mijn evenwicht
in balanseer te houden,
de cadans van mijn voeten
aan te houden,
kortom, vrijuit te dansen.

Ik heb geweifeld maar
nam dan toch
de weg naar Egypte.


2. Als ik hij zeg om me uit te spreken,
waar sta ik dan tenzij
in het hemd van het gedicht.

Ze had zich uitgekleed
op een gordel
en haar halsband na.

Ze wrijft de muskus
tot kruimels in haar handen
en maakt het tot lijm.

Daarna wrijft ze het
achter mijn oren,
op mijn borst,
tussen mijn benen
en rond mijn roede.

Het duurt niet lang
voor ik verstijf
en de weg naar Egypte neem.


3. Niets nog gaat vanzelf,
handen tussen
de zijden plooien.


Hoe vleselijk ook,
wij kunnen ons niet beletten
het beste van onszelf
te geven en te nemen,
de warmte van onze adem.

Na Egypte zijn we door
het midden oosten getrokken
om dichter te komen,
het nabije oosten.

We namen de weg,
de weg leidde ons.

We zagen het licht,
het liet ons zien.

We draaiden ons oor om
naar muziek,
die ons in vervoering bracht
en dichter.